Fransen Administratiekantoor &

Consultancy B.V.

Rijndijk 306a
2394 CH Hazerswoude

T 071 341 62 19
F 071 341 96 93
info@fransenadministratie.nl

KVK 28060541

BTW nr. NL809861586B01


Belastingplannen kabinet Rutte III

Hieronder in het kort de plannen op het gebied van het belastingstelsel, Wet DBA, pensioenstelsel, arbeidsrecht en sociale zekerheid. Het streven is dat de maatregelen met ingang van 2019 worden ingevoerd.
 

Hervorming belastingstelsel

  • Invoering van een tweeschijvenstelsel met een basistarief van
         36,93% en een toptarief van 49,5%, een verhoging van de algemene
         heffingskorting en een per saldo verhoging van de arbeidskorting,
         naast een groot aantal kleinere aanpassingen.
  • De looptijd van de 30%-regeling wordt verkort van acht naar vijf jaar.
  • Verhoging van het lage btw-tarief van 6% naar 9%, verdere
         vergroening van het belastingstelsel en het verlagen van
         aftrekposten, waaronder de zelfstandigenaftrek.
  • De eigen woning:
    • De hypotheekrenteaftrek wordt in vier jaar in stappen van 3%-punt
           per jaar verlaagd.
    • De wet ter bevordering van het financieren van de eigen woning
           met eigen middelen wordt door de in 2014 ingevoerde
           aflossingsverplichting onhoudbaar. De regeling wordt in 20 jaar
           (volgens het eindverslag van de informateur in 30 jaar)
           uitgefaseerd.
    • Het eigenwoningforfait wordt verlaagd.
  • In de vermogensrendementsheffing (box 3) wordt sneller
         aangesloten op het werkelijk rendement van spaartegoeden en
         het heffingsvrije     vermogen wordt verhoogd van € 25.225 naar
         € 30.000 (€ 60.000 voor paren). In deze kabinetsperiode zal een
         stelsel van vermogensrendementsheffing op basis van werkelijk
         rendement worden uitgewerkt.
  • Belastingontwijking wordt bestreden en de grondslagen voor de
         belasting op bedrijven wordt verbreed.
  • De stapsgewijze verlenging van de eerste schijf in de Vpb van
         € 200.000 naar € 350.000 (vanaf 2018, vastgelegd in Belastingplan
         2017) wordt teruggedraaid. De tarieven in de Vpb gaan in stappen
         van 20% en 25% naar 16% en 21 % per 2021.
  • Het box 2-tarief wordt in stappen verhoogd van 25% naar 28,5% in
         2021.
  • De dividendbelasting wordt afgeschaft. Er wordt een bronbelasting
         op rente en royalty’s ingevoerd op uitgaande financiële stromen
         naar landen met zeer lage belastingen. Financiering met eigen
         vermogen wordt aantrekkelijker door de aftrekbaarheid van vreemd
         vermogen te beperken.
  • Invoering van een CO2-minimumprijs in de elektriciteitssector,
         aanpassingen in de energiebelasting, een hogere belasting op het
         storten en verbranden van afval en het afschaffen van de
         teruggaafregeling voor taxi’s. De SDE+ regeling (en de daaraan
         gekoppelde opslag duurzame energie) wordt voortgezet en verbreed.
         Mogelijk per 2021 invoering van een vliegbelasting. De opbrengst
         van de vergroening wordt teruggesluisd naar lagere lasten voor
         burgers en bedrijven.
  • Gebouwen in eigen gebruik in de Vpb mogen tot maximaal 100%
         van de WOZ-waarde (is nu 50%) worden afgeschreven.
  • Versoberen verliesverrekening. Carry forward wordt beperkt tot zes
         jaar (is nu negen jaar).
  • Directe beleggingen in vastgoed door beleggingsinstellingen zijn niet
         meer toegestaan in verband met het afschaffen van de
         dividendbelasting.
     

Wet DBA

De Wet DBA wordt vervangen. De nieuwe wet moet enerzijds (de inhuurder van) echte zelfstandigen zekerheid bieden dat er geen sprake is van een dienstbetrekking en anderzijds schijnzelfstandigheid (vooral aan de onderkant) voorkomen.
 

  • Voor zzp’ers wordt bepaald dat altijd sprake is van een
         arbeidsovereenkomst bij een laag tarief (125% WML of laagste
         loonschalen cao) in combinatie met een langere duur van de
         overeenkomst of een laag tarief in combinatie met het verrichten
         van reguliere bedrijfsactiviteiten.
  • Aan de bovenkant van de markt wordt voor zelfstandig ondernemers
         een ‘opt out’ voor de loonbelasting en de werknemersverzekeringen
         ingevoerd, indien er sprake is van een hoog tarief in combinatie met
         een kortere duur van de overeenkomst of een hoog tarief in
         combinatie met het niet verrichten van reguliere bedrijfsactiviteiten.
  • Voor zelfstandigen boven het ‘lage’ tarief wordt een
         ‘opdrachtgeversverklaring’ ingevoerd. Deze geeft opdrachtgevers
         vooraf duidelijkheid en zekerheid bij de inhuur van zelfstandig
         ondernemers. Opdrachtgevers krijgen deze verklaring via het
         invullen van een webmodule. Belangrijk onderdeel daarbij is de
         gezagsverhouding. De wet wordt ook zo aangepast dat
         gezagsverhouding voortaan meer getoetst wordt op basis van de
         materiële in plaats van formele omstandigheden.
  • Het huidige handhavingsmoratorium wordt na invoering van de
         bovenstaande maatregelen gefaseerd afgebouwd. Na invoering
         van de nieuwe wetgeving geldt maximaal een jaar een terughoudend
         handhavingsbeleid.
  • Het kabinet gaat verkennen, ook in overleg met sociale partners en
         veldpartijen, of en hoe zelfstandig ondernemerschap via de invoering
         van een ondernemersovereenkomst een eigen plek zou kunnen
         krijgen in het Burgerlijk Wetboek.
     

Vernieuwing van het pensioenstelsel

  • Voor alle contracten wordt een leeftijdsonafhankelijke premie
         verplicht en krijgen de deelnemers een opbouw die past bij de
         ingelegde premie. Hierbij wordt bezien of het fiscaal kader alleen
         nog op de pensioenpremie kan worden begrensd. Bij de
         vormgeving van het fiscale kader blijft het kabinet oog houden
         voor het faciliteren van een adequate pensioenopbouw
  • Pensioen blijft een levenslange uitkering waardoor je niet het risico
         loopt dat er geen geld meer over is als je langer leeft dan verwacht.
  • Sociale partners ontwikkelen een nieuw pensioencontract met een
         persoonlijk pensioenvermogen. Hierdoor wordt inzichtelijk wat je als
         deelnemer hebt opgebouwd en kan de rentegevoeligheid afnemen.
  • Een collectieve buffer, die wordt gevuld uit overrendement, zorgt voor
         bescherming tegen onvoorziene veranderingen in de
         levensverwachting en schokken op de financiële markten.
  • Indien in een nieuw contract wordt gewerkt met een buffer komen er
         wettelijke kaders over de maximale grootte en de opbouw- en
         uitkeerregels van de buffer, waarbij de buffer niet negatief mag
         worden.
  • Het stelsel is beter toegerust op keuzevrijheid voor deelnemers en
         op de mogelijkheid dat zelfstandigen vrijwillig kunnen aansluiten
         of aangesloten blijven door de introductie van persoonlijke
         pensioenvermogens. En bevat tevens een adequate dekking voor
         het nabestaandenpensioen en arbeidsongeschiktheidspensioen
         zodat het de arbeidsmobiliteit niet belemmert.
  • De fiscale kaders voor pensioenopbouw worden tijdelijk verruimd.
         Ook het collectief omzetten van bestaande aanspraken in
         persoonlijke pensioenvermogens wordt gefaciliteerd.
  • Sociale partners krijgen gedurende een beperkte
         implementatieperiode de ruimte om de regelingen aan te passen
         aan de nieuwe manier van pensioenopbouw en eventueel over
         te stappen op een nieuw pensioencontract.
  • Het arbeidsvoorwaardelijk opbouwen van pensioen blijft een
         verantwoordelijkheid van de sociale partners.
  • Onderzocht wordt of en hoe het in het vernieuwde stelsel mogelijk is
         om een beperkt deel van het pensioenvermogen op te nemen als
         bedrag ineens bij pensionering.
     

Arbeidsrecht

  • Introductie van een cumulatiegrond in het ontslagrecht.
         Bij meerdere ontslaggronden kan de rechter een afweging maken
         of het van een werkgever verlangd kan worden de
         arbeidsovereenkomst voort te zetten of dat ontslag gerechtvaardigd
         is op basis van de cumulatie van omstandigheden genoemd in de
         verschillende gronden.
         Hier staat voor de werknemer tegenover dat de rechter een extra
         vergoeding kan toekennen van maximaal de helft van de
         transitievergoeding.
  • De opbouw van de transitievergoeding wordt op twee punten
         aangepast:
    • Werknemers krijgen vanaf het begin van hun
           arbeidsovereenkomst recht op transitievergoeding in plaats van
           na twee jaar;
    • Voor elk jaar in dienstverband gaat de transitievergoeding een
           derde maandsalaris bedragen, ook voor contractduren langer
           dan tien jaar.
           De overgangsregeling voor 50-plussers wordt gehandhaafd.
    • Verder wordt de mogelijkheid om scholingskosten in mindering te
           brengen op de transitievergoeding verruimd.
  • Aanpassing ketenregeling.
         De periode tussen twee contracten waarna een nieuwe reeks begint,
         blijft zes maanden, maar de mogelijkheden om sectoraal af te wijken
         (zoals nu voor seizoenswerk) worden verruimd.
         De periode waarna elkaar opeenvolgende tijdelijke contracten
         overgaan in een contract voor onbepaalde tijd, wordt verlengd van
         twee naar drie jaar.
  • De proeftijd wordt verruimd: bij direct een vast contract maximaal vijf
         maanden, voor meerjaarscontracten (langer dan twee jaar) drie
         maanden. In overige gevallen blijft de proeftijd zoals die nu is.
  • Payrolling: het kabinet komt met een wetsvoorstel waarin het
         soepeler arbeidsrechtelijk regime van de uitzendovereenkomst
         buiten toepassing wordt verklaard, werknemers qua (primaire en
         secundaire) arbeidsvoorwaarden ten minste gelijk moeten worden
         behandeld met werknemers bij de inlener, en de definitie van de
         uitzendovereenkomst ongemoeid blijft.
  • Nulurencontracten – om te voorkomen dat er sprake is van
         permanente beschikbaarheid, wordt vastgelegd dat in bepaalde
         situaties de werknemer niet gehouden is gehoor te geven aan
         een oproep of dat bij een afzegging recht op loon ontstaat.

 

 

Sociale zekerheid

  • Differentiatie van de WW-premie naar type contract waarbij
         contracten voor onbepaalde duur een lager premiepercentage
         toegerekend krijgen dan contracten voor bepaalde tijd.
  • Loondoorbetaling bij ziekte 
         Voor het MKB (tot 25 werknemers) wordt deze verkort naar
         één jaar.
  • De periode waarvoor premiedifferentiatie geldt in de WGA, wordt
         verkort van tien jaar naar vijf jaar.
  • Meer prikkels in arbeidsongeschiktheidsregelingen richting werk
    • Voor wie in de WIA zit, wordt het aantrekkelijker om te gaan
           werken. In de eerste vijf jaar na het aanvaarden van een
           baan, zal niet worden getoetst of het verdienvermogen van
           de werkhervatter is gewijzigd.
    • Voor personen die in de toekomst instromen in de WIA, zal
           scherper gekeken worden naar geschikt werk bij de
           vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid
           (het schattingsbesluit).
  • Het recht op arbeidskorting en inkomensafhankelijke
         combinatiekorting wordt afgeschaft voor nieuwe ZW’ers
         zonder werkgever.
  • Ook voor nieuwe instroom in de WGA 80-100 (mensen met
         restverdiencapaciteit tussen 1 en 20%) wordt de prikkel richting
         werk versterkt. Voor mensen in de WGA 80-100 die nog kunnen
         werken gaat hetzelfde regime gelden als in de WGA 35-80.
         Concreet gaat voor het recht op de loonaanvullingsuitkering de
         eis gelden om 50% van de resterende verdiencapaciteit te benutten.
  • Om de kans op het vinden van een baan voor mensen in
         arbeidsongeschiktheidsregelingen te vergroten, wordt meer
         geïnvesteerd in ondersteuning van deze doelgroep.

     

Bron: Regeerakkoord 'Vertrouwen in de toekomst'